De Gebroeders Karamazov, Fyodor Dostoyevsky

In de meeste gevallen zijn de mensen, zelfs misdadigers, een stuk naïever en simpeler dan wij in het algemeen van hen aannemen. Wij zelf net zo goed.

U moet vooral niet tegen uzelf liegen. Wie zichzelf voorliegt, het oor leent aan zijn eigen leugens, komt nog op het punt waarop hij geen enkele waarheid meer onderscheidt, in zich zelf zomin als rondom hem. En zo verliest hij alle eerbied voor zich zelf en voor anderen. En als de liefde hem eenmaal ontbreekt geeft hij zich, om bezigheid en afleiding te hebben, over aan zijn hartstochten en grove genietingen. Dan zakt hij door zijn zonder af tot het peil van een dier, als gevolg van zijn onophoudelijk gelieg tegen zijn medemensen en zich zelve. Wie zichzelf voorliegt kan zich bijzonder makkelijk beledigd voelen. En het is immers soms heel prettig zich beledigd te voelen, nietwaar? En toch weet zo iemand heel goed, dat niemand hem beledigd heeft, maar dat hij die belediging zelf bij elkaar gefantaseerd en bij elkaar gelogen heeft, omdat hij het zelf zo mooi vindt. Hij overdrijft schromelijk om zijn voorstelling van zaken rond te krijgen, legt zich aan banden van zijn eigen verzinsels, maakt van een mug een olifant, en hij weet dat allemaal opperbest, maar toch is hij de eerste om zich beledigd te voelen, omdat hij het zo'n prettig gevoel vindt, omdat hij er zo'n geweldige voldoening in vindt en juist daardoor schrikt hij niet terug voor regelrechte vijandschap...

Maar ga vooral de leugen uit de weg, iedere leugen en speciaal de leugen jegens u zelve. Geef acht op uw leugens en verdiep u erin, van uur tot uur en ieder ogenblik. En vermijd ook achteloosheid jegens u zelf en anderen: dat wat u in uw innerlijk als minderwaardig onderkent wordt reeds gezuiverd door het feit dat u hebt opgemerkt. En ga ook de angst uit de weg, hoewel angst in feite ook niet anders is dan een gevolg van de leugen. En laat u nooit in het nauw drijven door uw eigen kleinhartigheid als u niet tot liefde kunt komen en laat u zelfs niet te zeer door uw eigen slechte daden in de hoek drijven. Het spijt met dat ik u niets opbeurenders kan vertellen, want de praktische liefde in vergelijking met de liefde die men zich droomt is een onbarmhartige en angstaanjagende aangelegenheid. De gedroomde liefde haakt naar snelle en voldoening schenkende daden en wil gezien worden. Voor deze liefde wil men zelfs zijn leven opofferen, als het maar niet te veel tijd kost en snel van stapel loopt, net als op het toneel, met toeschouwers en applaus en al. Maar de praktische liefde, die bestaat uit werken en volharden en voor sommigen houdt zij niet minder dan een complete wetenschap in. Maar dit voorspel ik u: op het ogenblik dat u met ontzetting zult zien dat u ondanks als uw inspanning uw doel niets naderbij gekomen bent, maar er integendeel zelfs verder vandaan bent, op datzelfde ogenblik zult u uw doel ineens bereikt hebben, dat voorspel ik u.

Grote mensen moet je nalopen als kinderen, en sommige grote mensen moet je nalopen als zieken in een ziekenhuis.

Hoe dommer, hoe dichter bij de kern van de zaak. Hoe dommer hoe duidelijker. Deze dwaasheid zoekt geen listige omwegen, maar de geest probeert zich te verstoppen achter allerlei kronkelredeneringen. Het verstand speelt vals, maar de domheid is rechtlijnig en open. Ik ben nu eenmaal over mijn wanhoop aan het praten geraakte en hoe dommer ik dat aanpak, des te gunstiger valt het voor mij uit.

Niets is ooit voor de mens en de menselijke samenleving zo onverdraaglijk geweest als juist de vrijheid!

De eeuwige en universeel menselijke vraag van zowel ieder wezen afzonderlijk als van de mensheid als geheel: 'Voor wie moeten wij neerknielen?' Er bestaat voor de mens geen onophoudelijker en kwellender zorg dan, als hij eenmaal vrij geworden is, met de grootst mogelijke spoed op zoek te gaan naar iets waarvoor hij zich op de knieën kan werpen. Maar het moet iets volkomen onbetwistbaars zijn waarvoor alle mensen tegelijkertijd bereid zijn neer te knielen. Want de zorg van de beklagenswaardige schepselen bestaat niet alleen uit het probleem om iets te vinden waarvoor ik of een ander zich in het stof werpen, er moet tevens iets gevonden worden waarin allen kunnen geloven en waarvoor allen bereid zijn neer te knielen, maar dan ook beslist allemaal tegelijk. Deze behoefte aan GEMEENSCHAPPELIJKE adoratie is dan ook de primordiale kwelling van de eenling én van de mensheid als totaliteit sedert het begin der tijden. Omwille van die collectieve aanbidding hebben zij elkander te vuur en te zwaard verdelgd. Zij schiepen goden en riepen elkaar uitdagen toe: 'Verwerpt uw goden en komt de onzen aanbidden, anders wacht u en uw goden de dood!' En zo zal het ook blijven tot het einde der tijden zelfs als de goden al lang van het wereldtoneel verdwenen zullen zijn: evengoed zal de mens dan nog voor idolen in het stof buigen. Het kan niet anders of u moet dit fundamentele mysterie van de menselijke ziel hebben gekend, maar u hebt het enige absolute middel dat u aan de hand werd gedaan om hen te dwingen zonder uitzondering voor u neer te knielen verworpen, en dat was het aarde brood dat u van de hand wees omwille van de vrijheid en het hemelse brood! Kijk maar eens naar wat u verder nog hebt aangericht, wederom alles in naam van de vrijheid. Ik verzeker u dat de mens geen kwellender zorg heeft dan degene te vinden aan wie hij met de meeste spoed die gave van de vrijheid waarmee dit ongelukkige creatuur geboren wordt kan overdragen. Maar slechts hij die zijn geweten in slaap weet te wiegen kan zich meester maken van de vrijheid der mensen.

Het mysterie van de menselijke existentie bestaat niet alleen in het feit dát hij leeft maar tevens in de vraag waarvóór hij leeft. Zonder vastomlijnde voorstelling van waarvóór hij leeft wil de mens niet leven en zal hij zichzelf eerder verdelgen dan dat hij op aarde blijft, al zou hij ook in luilekkerland leven.

Iedereen streeft er tegenwoordig naar zich van de anderen los te maken en op eigen kracht de volheid des levens te ervaren, maar ondertussen heeft al zijn pogen geen levensvolheid, maar je reinste zelfmoord ten gevolge.

Vooral in de laatste tijd verheerlijkt deze wereld het begrip vrijheid, en wat voor resultaat zien we van hun vrijheid? Niets dan slavernij en zelfmoord! Want de wereldse mens zegt: "Heb je behoeften, bevredig ze dan, want je hebt precies dezelfde rechten als de rijksten en aanzienlijksten. Bevredig je behoeften zonder schroom, maak ze zelfs groter." [...] Weest op uw hoede, gelooft niet in een dergelijke eenwording der mensheid. Door de vrijheid te interpreteren als een vermeerdering en snelle leniging van behoeften doet de mens zijn aard geweld aan, want daardoor kweekt hij talrijke onzinnige en dwaze verlangens in zichzelf aan, alsmede kwalijke en absurde verzinsels. Men leeft dan slechts om elkaar de ogen uit te kunnen steken, voor wellust en opschepperij. Diners, reizen, equipages, rangen en standen en slaven als bedienden beschouwt men dan als een noodzaak waarvoor men zelfs bereid is zijn leven, eer en mensenmin op te offeren en zelfs voor zelfmoord schrikt men niet terug als dergelijke behoeften niet bevredigd kunnen worden.

Wie is er nu eigenlijk beter in staat een grote idee uit te dragen en te dienen - de vereenzamende rijkaard of hij die bevrijd is van de tirannie der dingen en gewoonten?

Hij heeft een heleboel waars van me verteld. Ik zou dat nooit tegen mezelf hebben gezegd.