Mens Als Natuur

Een vertaling van de metatheorie geschreven door Kjell Standal uit Noorwegen, de oprichter van “Zelf-Regulatie Gebaseerde en Ervaring-Georiënteerde Vegetotherapie”

“Ken je iets van de wereld om je heen?” vraagt Don Juan aan zijn student, Carlos Castaneda, op hun tweede afspraak.

“Ik weet verschillende dingen,” antwoordt Castaneda, denkend aan zijn academische opleiding.

“Ik bedoel, voel je ooit de wereld rond je?” vraagt Juan.

“Ik voel zo veel van de wereld rond me als ik kan,” antwoord Carlos.

“Dat is niet genoeg. Je moet het hele ding voelen, anders geraakt de betekenis van de wereld verloren,” antwoord Juan.

uit The Teachings of Don Juan, Carlos Castaneda

Men hoort vaak dat de mens als deel wordt beschouwd van de natuur. Ik zou verder gaan, hoe ik het zie is dat de mens natuur is.

Als de mens natuur is, dan functioneert elke wetmatigheid uit de natuur onverbiddelijk ook in en voor de mens. Dit wil bijgevolg zeggen dat elke interactie die gebeurt tussen mensen ook een reflectie is van natuurwetten, in de zin dat natuur communiceert met natuur.

De mens verschijnt als natuur door het universele in de natuur. De mens verschijnt in zijn fysieke vorm van vlees en bloed, die een brein heeft, twee armen, twee benen en zintuigen. Hier kunnen we de methodologische benadering beginnen waarnemen die ik heb gekozen om de mens te beschouwen als natuur, het dialectische denken en waarnemen. Wat ik hiermee bedoel is dat “begrijpen”, zoals Don Juan het duidt, impliceert… de totale eenheid betreden.

Dit wil niet zeggen dat begrijpen niet bereikt kan worden door mensen die deze eenheid niet aanschouwen of ze niet betreden hebben, maar eerder dat de bewuste persoon die zijn bewustzijn integreert in de natuur ook een niveau van bewustzijn betreedt voortkomend uit een fundamentele basis die alles aanschouwt als een geheel, zowel in de persoon als mens en zo ook in relatie tot het individu zijn existentiële positie in de natuur, in andere woorden, het geheel, of wat we de kosmos noemen.

Voor mij wijst dit op de interactie tussen de wezenlijke vorm waarin de mens verschijnt en de werkelijke natuurwetten die aanwezig zijn in zowel mens als natuur. Om dit duidelijker begrijpbaar te maken, beschouw de volgende the stellingen:

  • Alle natuurwetten zijn van toepassing zonder uitzondering, inclusief voor het menselijk organisme.

  • Alle menselijke activiteiten vormen een zoektocht naar innerlijke connecties die gebaseerd zijn op de natuur zijn consistente harmonie, zelfs in zijn meest chaotische staat. 

  • Alle menselijke activiteiten zijn een expressie van de beweging van de natuur, verandering en transformatie.

  • Alle beweging, verandering en transformatie komt voort vanuit een doordringende interne consistentie en is daarvan tegelijkertijd de basis, de onderbouw.

Interne consistentie en diepe inter-relatie op complexe levels vormen de kern van alle natuurwetten.

Dit is van toepassing op elke en iedere betrekking tussen mensen net zoals het van toepassing is op de interne werking van de cognitieve processen binnen de mens. Elke menselijke interactie staat in wisselwerking met de natuur.

Als we in staat zijn om te kijken in de natuur en zijn kosmische vorm, geloof ik dat, op basis van onze huidige staat van kennis en inzicht, we ons moeten richten op quantum fysica om ervaringen, theorieën en hypothesen de vinden in betrekking tot de fundamentele staat van de natuur.

Vanuit mijn standpunt is het nodig een aantal hypothesen te formuleren over de natuurwetten op zo’n manier dat ze direct betrekking hebben op de mens, die natuur is. We nemen daarom enkele beweringen over vanuit quantum fysica samenhangend met dialectisch denken als een benadering van perceptie en theorie:

  • Alle natuurwetten, dat wil zeggen alle weten van de realiteit die we ontdekt hebben en aan het ontdekken zijn, vertellen ons enkel wat mogelijk is onder specifieke omstandigheden, en wat onmogelijk is onder diezelfde omstandigheden. Deze wetten zeggen niets over wat echt aan het gebeuren is, of wat zal gebeuren. Ze zeggen ons enkel wat zou kunnen gebeuren. De natuurwetten zijn een verzameling van waarschijnlijkheden.

  • De mens als natuur is een bewust wezen. Dat wil zeggen dat we naar de mens kunnen kijken als een manier van de natuur om zelfbewustzijn te bereiken. Dit wil niet zeggen dat de natuur noodzakelijk was om de mens te produceren, maar eerder dat de mens ontstond bij toeval in de stroom van noodzakelijkheid. Bijgevolg weerspiegelt deze noodzakelijkheid de natuur zijn evolutie in de richting van meer en meer complexe vormen van bewustzijn, waarin de mens gezien kan worden als een van de vele vormen van bewustzijn.

  • Op basis van de menselijke capaciteit voor bewustzijn, die ik definieer als het brengen van zijn acties en gedachten in harmonie met de fundamentele wetten binnen en buiten zijn eigen bestaan, volgt bij noodzaak dat de natuur ook het potentieel heeft voortgebracht voor de negatie (het omgekeerde) van bewustzijn. In andere woorden, een streven om te ontkennen, om onszelf buiten en boven de logica van de natuur te plaatsen: destructie en een voortdurende destructieve tegenhanger van bewustzijn. Dit kan leiden tot het uitdoven van het bewustzijnselement in de natuur, en dus inclusief in sommige gevallen in dat wat we de naam mens hebben gegeven.

De totale eenheid gerealiseerd door de dialectische benadering tussen begrijpen in het domein van onderzoeken, onthullen en aanschouwen van de verwevenheid in de natuur, en tegelijkertijd capabel zijn om de eenheid van zichzelf in de wereld te voelen en de eenheid van de wereld in zichzelf, vormen de werkelijke basis om te leven in, met en voor die eenheid, terwijl het tegelijkertijd leeft in, met en voor ons allen.

Dit is de echte basis van het dialectische denken over onze existentiële situatie. Als we de dialectiek en quantum fysica als ons startpunt nemen, is het logisch te beschouwen dat de mens initieel verscheen als een gevolg van het groeien of accumuleren van potentiëlen in de natuur die de verschijning van de mens verkozen als een van de potentiëlen voor bewustzijn in de natuur.

Dit was enkel en alleen zo omdat deze potentiëlen waarachtig bestonden in de realiteit. De mens verscheen dus initieel als een potentieel, omdat dat potentieel bestond in de realiteit. De mens is in die zin natuur omdat de mens werkelijk bestond in het rijk van het mogelijke.

Dit wil zeggen dat de mens als natuur zich ook uit in het universele in de mens: in zijn fysieke vorm. Het universele in de mens is dialectisch: de fysieke vorm roept potentiëlen op naar meer bewustzijn, terwijl deze potentiëlen voor bewustzijn tegelijkertijd een terugwerkende impact hebben op de fysieke vorm van de mens.

Overeenkomstigheid heerst in het universum: mensen zijn hetzelfde. Maar uniciteit is ook evident in de universaliteit van de mens. Verschil is inherent aan gelijkaardigheid, en het feit dat alle mensen hetzelfde zijn verzekert hun ongelijkaardigheid. Deze ongelijkaardigheid, de diversiteit in de mens, is de werkelijke basis voor hun gelijkaardigheid. Door de gelijkaardigheid te erkennen, leggen we het fundament voor echte ongelijkaardigheid, die ingeworteld zit als een diep besef van samenhorigheid.

Mens als natuur brengt ook met zich mee dat man en vrouw hetzelfde zijn, hoewel ze net zo verschillend zijn als elke twee mannen, twee vrouwen of volwassenen en kinderen. Eenheid komt voort vanuit onze diversiteit, en alle diversiteit van mensen samen beslaat dus de basisvoorwaarde ten grondslag liggend aan de eenheid van mensen.

Vrijheid, gelijkwaardigheid, gelijkheid, etc. vormen dus niet iets dat vrouwen moeten heroveren, maar eerder iets dat we allemaal moeten herstellen.

Door onze gelijkaardigheid te erkennen, leggen we de basis voor echte ongelijkaardigheid. Door echte ongelijkaardigheid, kunnen mensen geünificeerd worden tot een dialectische geheel, waar het specifieke en het universele convergeren.  Deze convergentie transmuteert in een nieuwe kwaliteit, een liefdesverhaal van de realiteit, waar alle mensen geünificeerd zijn in het ene, en waar het ene geünificeerd is en gedifferentieerd is van alle anderen. Dit is ware individualiteit! 

De dialectische kijk op de verwevenheid tussen kans en noodzaak, zoals gezien in quantum fysica, leidt ons terug naar het echte begrip van  de vrijheid van de natuur, van de vrijheid van de mens.

In zijn actieve inspanningen, is de mens ver verwijderd van een of andere speelbal te zijn van blinde fanatieke kans, noch is hij onderhevig aan onveranderlijke noodzaak. De mens maakt gebruik van het kanselement in actuele gebeurtenissen, en menselijke vrijheid is net afhankelijk van het feit dat de mens zijn toekomst kan bepaald worden omdat die niet vooraf bepaald is.

De toekomst onthult zich op een manier die gedeeltelijk gedetermineerd is door het verleden, maar het verleden is absoluut niet definitief bepalend - noch voor individuele aspecten van de natuur, noch in de natuur in zijn historische fylogenetische belichaming (de mens). Dit is bewezen in de individuele ontwikkelingsfase, de bekwaamheid van elk individu om zijn of haar eigen leven en lichaam te vormen, of als evolutie van soorten, dit wil zeggen, de richting van menselijke evolutie. 

Het volgt dan ook dat de natuur zijn ontogenetische belichaming (het individu zijn levensbiografie) ook een vehikel is voor elke mogelijkheid die zich kan manifesteren in de realiteit.

Als de mens de specifieke vorm is waarin de natuur zijn streven naar zelfbewustzijn is uitgedrukt, dan moet het universele binnen het specifieke eruit bestaan uit dat deze specifieke vorm, mens, een universeel bewustzijnspotentieel bezit.

Dit wil zeggen dat vrijheid van determinisme niet zomaar gegeven is, maar eerder dat het gecreëerd kan worden en verkregen kan worden door de basisvoorwaarden te wijzigen die gevestigd zijn in geloof van het noodzakelijke. Dit kan gebeuren enkel en alleen door zich bezig te houden met acties die het aantal mogelijkheden verhogen, met de basis van deze acties dat ze, door hun manifestatie, de basis zullen leggen voor het veranderen van wat mogelijk is.

De waarschijnlijkheid dat bepaalde gebeurtenissen zullen plaatsvinden kan verhoogd worden, terwijl dat van anderen verlaagd kan worden. Het is belangrijk om als onze basis te stellen dat de realiteit niet onvoorwaardelijk overeenstemt met dat wat we denken, maar eerder dat onze gedachten in congruentie gebracht moeten worden met dat wat werkelijk bestaat in de natuur. Dit kan ons naar het punt brengen waar gedachten convergeren met, integreren in en opstijgen naar de natuur. Op deze manier, vermengt natuur met natuur.

Natuur zal zich altijd tonen aan ieder van ons op verschillende manieren en in verschillende vormen op verschillende tijdstippen. Niettegenstaande dat, de fundamentele waarheid is dat waarin we verschijnen natuur is, en dat wat we altijd zijn natuur is, zodat de mens altijd natuur zal zijn en blijven. 

Mens als natuur wil zeggen dat elke gedachte die de mens produceert ook natuur is. Elk idee binnen elk individu, en elke verbeelding binnen elk individu moet ook natuur zijn. Als dit echt zo is, dan reflecteert ook elke gedachte over goddelijkheid of God de natuur van de mens. Dit kan enkel maar betekenen dat elke gedachte over goddelijkheid ingeworteld is in de natuur en de natuurlijke fenomenologische elementen die niet onderzocht zijn door de mens.

Als gedachten over God voortkomen uit de natuur, dan moet dat beteken dat God natuur is. Dit kan enkel betekenen dat als mens natuur is, dat God ook natuur is. Maar als God natuur is, dan zijn God en mens een: ze zijn allebei hetzelfde. 

Ze zijn natuur!

De mens blijft dan achter met het indringende inzicht in de natuur die de mens zelf in relatie stelt tot de natuur. Wanneer de mens aanschouwt dat hij natuur is, verkrijgt hij volledige vrijheid om te leven als natuur, met natuur en in natuur. De mens is dan menselijk.

Bekeken vanuit deze benadering  en gedachtegang, verkrijgt de mens zijn volledige vrijheid enkel en alleen als hij geheel en volledig erkent op alle niveau’s dat hij natuur is, en samenleeft met natuur als natuur.