De Heilige Oorlog door René Daumal

Nederlandse vertaling van La Guerre Sainte door René Daumal.

daumal.jpg

Ik ga een gedicht schrijven over oorlog. Misschien zal het geen echt gedicht zijn, maar het zal wel gaan over een echte oorlog.

Het zal geen echt gedicht worden, want als de echte poëet hier zou zijn en als het nieuws zich zou verspreiden dat hij zou gaan spreken - dan zou er een grootse stilte vallen; bij het eerste bericht zou er een diepe stilte opzwellen,  een grootse stilte met duizend bliksemflitsen.

De poëet zou zichtbaar zijn; we zouden hem zien; met hem in ons zicht, zou hij ons zien; en we zouden vervagen in onze eigen arme schaduwen, we zouden het feit dat hij zo echt is verafschuwen, wij ziekelijken, wij gestoorden, wij onrustigen.

Hij zou hier zijn, vol tot barstens toe met de duizenden bliksemflitsen van de menigte aan vijanden die hij bevat - want hij bevat ze, en hij bevredigt hen wanneer hij wil - gloeiend met pijn en heilige woede, echter onbeweeglijk als een man die een lont aansteekt, zou hij in de grootse stilte een klein kraantje openen, het zeer kleine kraantje van de woordenmolen, en zou hij een gedicht laten vloeien, zulk een gedicht dat je er groen van zou worden.

Wat ik zal maken zal geen echte, poëtische, poëtenpoëzie zijn want als het woord “oorlog” zou gebruikt worden in een echt gedicht - dan zou oorlog, de echte oorlog waarover de echte poëet het heeft, oorlog zonder genade, oorlog zonder wapenstilstand voorgoed openbreken in het diepste van onze harten.

Want in een echt gedicht dragen woorden hun eigen feiten.

Noch zal dit een filosofisch vertoog zijn. Want om een filosoof te zijn, om de waarheid meer lief te hebben dan zichzelf, moet men eerst sterven ten opzichte van zelfbedrog, moet men de verraderlijke zelfvoldaanheid van de droom -en gezellig fantasiewereld gedood hebben. En dat is het doel en het einde van de oorlog; ook al is de oorlog amper begonnen, er zijn nog altijd verraders te ontmaskeren. 

Noch zal het een geleerd werk zijn. Want om geleerd te zijn, om de dingen te zien en ervan te houden zoals ze zijn, moet men zichzelf zijn, en van zichzelf houden zoals men is. Men moet de bedrieglijke spiegels gebroken hebben, men moet met meedogenloze blik komaf gemaakt hebben met de indringende spoken. En dat is het doel en het einde van de oorlog; ook al is de oorlog amper begonnen, er zijn nog altijd maskers af te scheuren. 

Noch zal het een vurig lied zijn. Want enthousiasme is pas stabiel wanneer de god opstaat, wanneer de vijanden niet meer zijn dan vormeloze krachten, wanneer het gekletter van oorlog doofmakend weergalmt; en ook al is de oorlog amper begonnen, we hebben ons beddengoed nog steeds niet in het vuur gegooid. 

Noch zal het een magische oproeping zijn, want de magiër bidt naar zijn god, “Doe wat ik wil,” en hij weigert om oorlog te voeren met zijn ergste vijand, als de vijand hem behaagt; noch zal het een gebod van een gelovige zijn, want op zijn best bidt de gelovige “Doe wat je wil,” en daarvoor moet hij ijzer en vuur in de ingewanden steken - wat de oorlogsdaad is, en de oorlog is amper begonnen. 

Het zal een beetje van dit alles zijn, een beetje hoop en inspanning in de richting van dit alles, en het zal ook een beetje een oproep tot gewapend verzet zijn. Een oproep dat het spel van echo’s kan terugsturen naar mij, en dat anderen misschien zullen horen.

Je mag nu eens raden over welk soort oorlog ik wil praten.

Over andere oorlogen - over diegene die we doorstaan - zal ik niet spreken. Als ik over deze oorlogen zou spreken, zou het gewone literatuur zijn, een noodoplossing, een vervanging, een excuus. Net zoals het me voorviel dat ik het woord “verschrikkelijk” gebruikte wanneer ik geen kippenvel had. Net zoals ik het spreekwoord “sterven van de honger” gebruikte wanneer ik het punt nog niet had bereikt dat ik eten moest gaan stelen. Net zoals ik sprak over krankzinnigheid vooraleer ik had geprobeerd de oneindigheid te beschouwen door een sleutelgat. Net zoals ik over de dood sprak vooraleer mijn tong de zoute smaak had geproefd van het onherstelbare. Zoals sommige mensen spreken over zuiverheid, mensen die zichzelf altijd superieur beschouwd hebben ten opzichte van de gedomesticeerde varkens. Zoals sommigen spreken over vrijheid, die hun kettingen verafgoden en opblinken; zoals sommigen over de liefde spreken, en niets anders liefhebben dan hun eigen schaduwen; of over offers, die niet voor niets hun kleinste vingers zouden afsnijden. Of over kennis, die zichzelf vermomt. Net zoals het onze grote zwakte is om te spreken om niets te zien.

Dit zou een zwak surrogaat zijn, net zoals de ouden en zieken gewillig spreken over slagen gegeven of ontvangen door jonge en gezonde mensen.

Heb ik dan het recht om te spreken over deze andere oorlog - diegene die niet enkel ondergaan wordt - wanneer hij misschien nog niet onherstelbaar aangestoken is in mij. Terwijl ik zelf nog steeds met schermutselingen bezig ben? Zeker, ik heb amper het recht. Maar “amper het recht” wil ook zeggen “soms de plicht” en bovenal “de behoefte”, omdat ik nooit genoeg bondgenoten kan hebben.

Ik zal proberen spreken over de heilige oorlog.

Moge hij onherstelbaar uitbreken! Nu en dan breekt hij goed uit, maar nooit voor lang. Bij de eerste schijn van overwinning, vlei ik mezelf met triomf, en speel ik de rol van de vrijgevige winnaar en kom ik in het reine met de vijand. Er zijn verraders in het huis, maar ze lijken op vrienden, en het zou zo onaangenaam zijn om ze te ontmaskeren. Ze hebben hun plaats bij de open haard, hun zetel en hun pantoffels; ze komen af wanneer ik slaperig ben, geven me een compliment, vertellen een grappig of spannend verhaal, of geven bloemen en snoepjes, en soms een mooie geveerde hoed. Ze spreken in de eerste persoon, het is mijn stem die ik geloof te horen, het is mijn stem die ik geloof uit te zenden “ik ben …, ik weet …, ik wil …”, die tegen me schreeuwt “niet doodgaan, we zijn van hetzelfde bloed”, abcessen die janken “wij zijn je enige goede karaktertrek, je enige waardevolle schat, blijf ons dus voeden, het kost je helemaal niet zo veel!” 

En ze zijn met velen, en ze zijn charmant, ze zijn zielig, ze zijn arrogant, ze chanteren, ze verenigen zich, maar deze barberen respecteren niets - niets echts, bedoel ik, want ten opzichte van al de rest, zijn ze vastgebonden in respectvolle knopen. Het is door hen dat ik vorm krijg, het zijn zij die de plaats innemen en in het bezit zijn van de sleutels van de kast met toegang tot de maskers. Ze vertellen me “we kleden je aan; hoe zou je je anders netjes kunnen presenteren in de grote wereld zonder ons?” Maar ohhh, het zou beter zijn om naakt door het leven te gaan als een larve!

Om deze legers te bevechten, beschik ik slechts over een klein zwaard, nauwelijks zichtbaar voor het blote oog, snijdend echter als een scheermes, en erg dodelijk. Maar zo klein eigenlijk, dat ik het op elk moment verlies. Ik weet nooit waar ik het laatst gestopt heb. En als ik het heb teruggevonden, voelt het zo zwaar om te dragen, en moeilijk te hanteren, mijn dodelijk kleine zwaard. 

Ikzelf, ik kan maar een paar woorden zeggen, en ze lijken meer op kreten, terwijl zij zelfs kunnen schrijven. Er ligt er altijd wel een in mijn mond, te wachten voor mijn woorden wanneer ik iets wil zeggen. Hij luistert en houdt alles voor zichzelf, en spreekt in mijn plaats, met mijn woorden maar in zijn eigen vuile accent. En het is aan hem te danken als ook maar iemand aandacht aan mij besteedt of denkt dat ik intelligent ben. (Maar zij die weten worden niet voor de gek gehouden: kon ik diegenen die weten maar horen!)

Deze spoken bestelen me van alles. Hun diefstal gepleegd, is het makkelijk voor hen om me medelijden te laten voelen voor hen. “We beschermen je, we uiten je, we promoten je. En jij wil ons vermoorden! Maar je vernietigt enkel jezelf wanner je ons afwijst, wanneer je ons uitscheld, wanneer je ons wreedaardig op onze gevoelige neus slaat - wij, je goede vrienden.”

En het vuile medelijden, met zijn lauwheid, komt om me te verzwakken. Tegen jullie, spoken, al het licht! Dat ik de lamp aansteek en jullie je kop zullen houden. Dat ik een oog open en jullie zullen verdwijnen. Omdat jullie gebeeldhouwde leegte zijn, geschilderde grimassen van leegheid. Tegen jullie, oorlog tot het einde. Geen medelijden, geen tolerantie. Een enkel recht: het recht om meer te zijn.

Maar nu is het een ander lied. Ze voelen zich ontsluierd: dus doen ze alsof ze zich verzoenen. “Inderdaad, jij bent de meester. Maar wat is een meester zonder dienaren? Houd ons op onze bescheiden plaatsen, we beloven u te helpen. Hier bijvoorbeeld: stel je voor dat je een gedicht wil schrijven. Hoe zou je het doen zonder onze hulp?”

Ja rebellen - op een dag zal ik jullie terug op jullie plaats zetten. Ik zal jullie onder mijn juk brengen, jullie voeden met hooi, en jullie elke ochtend verzorgen. Maar zolang jullie mijn bloed zuigen en mijn woorden stelen, oh! zal het beter zijn nooit gedichten te schrijven!

Aanschouw de vrede die mij wordt aangeboden: mijn ogen sluiten om de misdaad niet te zien. Zich ergeren van ochtend tot avond om de steeds gapende dood niet constant te zien. Zichzelf al als gewonnen te beschouwen vooraleer zelfs nog maar te beginnen met vechten. Vrede van leugens! Zich settelen in zijn eigen lafheid, aangezien iedereen het doet. Vrede van de overwonnene. Een beetje veiligheid, een beetje dronkenschap, een beetje godslastering, voor een grap, een beetje valse make-up, waarvan men een deugd maakt, een beetje luiaardij en fantasie - en zelfs veel, als men een artiest is - een beetje van dat alles, omgeven door een patisserie van mooie woorden, dat is de vrede die me wordt voorgesteld. Vrede van de omgekochte! En om deze schaamtevolle vrede te beschermen, zou men alles doen, men zou oorlog voeren tegen zijn medemens. Omdat er een oud, gekend en zeker recept bestaat om de vrede met zichzelf te behouden: het altijd beschuldigen van de andere. Vrede van verraad! 

Je weet nu dat ik wens te spreken over de heilige oorlog.

Hij die deze oorlog in zichzelf heeft verklaard, is in vrede met zijn medemens, en hoewel zijn hele bestaan het veld is van de meest gewelddadige strijd, heerst er in zijn meest innerlijke diepte een vrede die meer actief is dan alle oorlogen. En hoe meer deze vrede heerst in zijn diepste diepten, in die centrale stilte en eenzaamheid, des te gewelddadiger woedt de oorlog tegen het tumult van leugens en de ontelbare illusies.

In deze enorme stilte, verduisterd door oorlogskreten, verborgen van de buitenwereld door het voorbijgaande waanbeeld van de tijd, luistert de eeuwige overwinnaar naar de stemmen van andere stiltes. Alleen, de illusie overwonnen van niet alleen te zijn, alleen, hij is niet meer alleen in alleen zijn. Maar ik ben gescheiden van hem door deze legers van geesten die ik heb moeten vernietigen. Mag ik mezelf op een dag vestigen in deze citadel? Op zijn wallen, laat me tot op het bot verscheuren eerder dan het tumult toe te laten in de koninklijke kamer!

“Maar zal ik doden?” Vroeg Arjuna de krijger. “Zal ik hulde brengen aan Caesar?” vraagt een andere. Dood, krijgt hij als antwoord, als je een moordenaar bent. Je hebt geen keus. Maar als je handen rood zijn van het bloed van je vijanden, zorg er dan voor dat er geen enkele druppel de koninklijke kamer bespat, waar de onbeweeglijke veroveraar wacht. Betaal, krijgt hij als antwoord, maar zorg ervoor dat Caesar geen enkele blik krijgt van de koninklijke schat. 

En ik die geen ander wapen heb, ik die geen andere munt heb, in de wereld van Caesar, dan het woord - moet ik spreken?

Ik zal spreken om mezelf tot de heilige oorlog op te roepen. Ik zal spreken om de verraders aan te klagen die ik gevoed heb. Ik zal spreken zodat mijn woorden mijn daden moge beschamen tot de dag komt wanneer een vrede omgeven door donderslagen heerst in de kamer van de eeuwige overwinnaar.

En omdat ik het woord oorlog heb gebruikt, en omdat dit woord tegenwoordig niet langer een geluid is dat beschaafde mensen maken met hun monden, maar nu een serieus en zwaar geladen woord is geworden, zal het begrepen worden dat ik serieus praat en dat dit geen lege geluiden zijn die ik maak met mijn mond.

Geschreven door René Daumal in lente 1940